Een recent onderzoek uit de neurologie heeft aangetoond dat zogenaamde neutraliserende antistoffen vaker voorkomen bij patiënten die langdurig behandeld worden met botuline neurotoxine type A, beter bekend als Botox. Deze antistoffen zorgen dat Botox minder werkzaam is.
Er deden 596 patiënten mee aan het onderzoek. Deze patiënten kregen behandeling met Botox vanwege een neurologische indicatie, zoals dystonie of spasticiteit. Er werden bij 83 van de 596 (13.9%) neutraliserende antistoffen tegen Botox gevonden. De aanwezigheid van deze antistoffen nam toe bij langdurigere behandeling met Botox en vakere toediening. Wanneer er lagere doseringen werden toegediend, is het risico op antistof-vorming kleiner.
De conclusie van dit onderzoek is dat patiënten die langdurig behandeld worden met Botox meer risico hebben op antistof-vorming tegen Botox, waardoor de behandeling minder werkzaam is. Dit risico kan verkleind worden door toediening van lagere doseringen.
Er moet nog meer onderzoek plaatsvinden om aan te tonen dat dit fenomeen ook plaatsvindt bij Botox behandelingen in de dermatologie.
Advies dr David Njoo
Deze (lichte) toename van mensen die antistoffen ontwikkelen tegen botulinetoxine eiwitten is zorgelijk. Om de effectiviteit zo lang mogelijk te behouden, dienen botoxbehandelingen dus niet te vaak achter elkaar te geschieden en het liefst met lagere doseringen.
Bron Albrecht P, Jansen A, Lee JI, et al. High prevalence of neutralizing antibodies after long-term botulinum neurotoxin therapy. Neurology. 2019 Jan 1;92(1):e48-e54. doi: 10.1212/WNL.0000000000006688. Epub 2018 Nov 21.
Met dank aan
Annelie Musters, co-assistent
